Plantaardig voedsel staat aan de basis van het leven. Want vlees kan ook alleen bestaan omdat dieren planten eten.
Planten groeien 'vanzelf', uit zonlicht, water en voedingsstoffen in de grond. Dat levert ons een grote rijkdom op: aardappelen, groenten, fruit, granen, olie, bieten en knollen, erwten en bonen. En bloemen en frisse lucht.
Fruit is de makkelijkste soort plantaardige producten. Dat hoef je alleen maar te plukken, te pellen of te schillen. En het is nog hartstikke gezond ook.
Sla en andere bladgroenten zijn meestal ook zó te eten, net als
worteltjes en radijs. Veel andere groenten zijn harder, en moeten gekookt
worden. Dat geldt ook voor aardappelen en andere wortels, knollen en
bollen.
Heel gezond zijn ook granen. Maar die moeten eerst worden gekookt
(rijst) of gemalen, vermengd en gebakken (brood).
Verder halen we een enorm arsenaal aan andere nuttige stoffen uit planten. Die zijn om te eten (suiker, olie) of om te gebruiken (vezels, hout, kleur-, geur- en smaakstoffen).
Nederland kent een gematigd klimaat, en is geschikt voor de verbouw van veel gewassen. Om economische redenen (dure grond, turboteelt als norm) beperken de meeste boeren en tuinders zich tot maar enkele gewassen.
Akkerbouwers en tuinders gebruiken flink wat grond.
- Akkers: 600.000 hectare
- Tuinbouw: 90.000 ha
- Kassen: 10.300 ha
(Info: CBS en LEI).
Jaren achtereen hetzelfde gewas verbouwen veroorzaakt ziektes in de grond. Daarom wisselen boeren en tuinders hun teelten af. Boeren houden het vooral bij aardappelen, suikerbieten en graan. De meeste aardappelen worden geëxporteerd. Suiker kunnen we goedkoper importeren uit suikerrietlanden, en het Nederlandse graan dient vooral als veevoer.
Belangrijker voor onze voedselvoorziening zijn tuinders. Zij telen een veelheid aan producten, zowel in de vollegrond als in kassen.
De land- en tuinbouw zijn van groot belang voor de Nederlandse economie. Verdiende ons land vroeger veel met koeien en hun producten, later werd varkensvlees een grote inkomstenbron. Tegenwoordig is vooral de tuinbouw een krachtige en groeiende sector.
Boeren en tuinders dragen voor 2% bij aan de economie, maar het hele agro-complex (dus inclusief fabrieken en handel) voor ruim 10%. Bij elkaar leverden zij €50 mrd toegevoegde waarde in 2008.
Zie ook de brochure 'Het agrocluster in kaart', of een rapport (februari 2008) over 2007. Recente cijfers levert het LEI in zijn LandbouwEconomisch Bericht.
Een overzicht van de Europese land- en tuinbouw is te zien bij Ceja,
een Europese organisatie van jonge boeren.
Goed zaaizaad en pootgoed is van eminent belang voor een hoge agrarische productie. Nederland is erg goed in de productie van dit 'uitgangsmateriaal'.
Nieuwe rassen kweken en uittesten is erg duur. Daarom klonteren steeds meer verdelaars samen tot grote concerns. Wel of niet genetische manipulatie toepassen maakt daarin niet zoveel uit, concludeerde LIS-consult begin 2011 uit een onderzoek.
Vroeger werd bijna alles van een plant goed benut; onbruikbare wortels gingen op de composthoop en schillen, via de schillenboer, naar de boeren als veevoer. Tegenwoordig gebeurt dat steeds vaker opnieuw, maar dan op grote schaal.
Afval dat in een conservenfabriek of een snijderij ontstaat, is prima voor veevoer. Maar met de nieuwste technieken kun je soms veel meer doen met schillen en ander afval: frisdrank van maken bijvoorbeeld, of kleurstoffen uit winnen. Dat doet bijvoorbeeld het bedrijf Provalor.
Plantenteelt is eigenlijk puur natuur. Maar bij de boeren ligt dat anders.
Boeren gebruiken veel kunstmest (junkfood voor gewassen) en gif (tegen schimmels en insecten). Daarmee vernielen ze de natuur.
Dat kan zo niet langer.
Daarom is de term 'duurzaam telen' uitgevonden, wat eigenlijk gewoon betekent: telen volgens de wetten van de natuur.
Om toch hoogproductief te blijven, moeten boeren dat 'natuurlijke telen' opnieuw uitvinden. Ze krijgen wetenschappelijk hulp van de Universiteit Wageningen.
Voor wie het interesseert, hierbij een overzicht van het onderzoek naar duurzamer telen uit 2010.
Aardappelteelt. Nederland is een superland voor aardappelen. Vanuit hier krijgen grote delen van de wereld pootaardappels.
Over de hele wereld is er genoeg akkerbouwgrond om alle mensen fatsoenlijk te voeden. Dat er toch bijna altijd wel ergens honger is heeft twee redenen. Eén: er zijn altijd grote gebieden met misoogsten, terwijl het ontbreekt aan geld om voedsel elders aan te kopen. Twee: veel landbouwgrond wordt gebruikt voor de verbouw van veevoeder, omdat er over de hele wereld een koopkrachtige vraag is naar vlees.
Soja
is een belangrijk voedingsmiddel dat niet in Nederland verbouwd kan worden
– het heeft een warmer klimaat nodig.
Soja zit in allerlei vormen (meel, olie, of anders) verwerkt in heel erg
veel voedingsmiddelen, ook in veevoer. Daarom apart aandacht voor soja
op deze Belgische site.
Soja is tegenwoordig vaak genetisch gemanipuleerd.
Hoe
kun je zeker weten dat dje aardappelen en groenten niet bespoten
zijn met allerlei soorten gif?
Dat kun je niet zeker weten.
- Om te beginnen zijn aardappelen, groenten en fruit vaak wél
bespoten met gif. Tegen insecten en schimmels. Maar voor mensen is dat
meestal niet (meer) schadelijk.
- Zekerheid dat de restjes gif niet meer schadelijk zijn, heb je nooit. Maar bijna altijd zit dat wel goed, door vrij strikte controles
door onder meer het KCB (Kwaliteitscontrolebureau voor groente en fruit).
Op verpakte groente of fruit moet altijd een leverancier
vermeld staan: de naam van een boerderij, een verpakstation
of een groothandelaar. Soms is dat in de vorm van een KCB-nummer - daarmee
is te controleren welke tuinder of welke verpakker dit heeft geleverd.
Helaas mogen consumenten dat niet controleren. Zij mogen niet weten wie
er achter een bepaald KCB-nummer schuil gaat. "Want dat is niet de
bedoeling van het nummer", zegt het KCB.
DeVoedingswijzer.nl probeert zijn kosten enigzins te dekken door in deze kolom advertenties van Google toe te laten.
Het al of niet aanwezig zijn van advertenties heeft geen enkele invloed op onderwerpkeuze of tekst op de site.